Uitgebreide rasstandaard (met uitleg en foto's)

  1. Beknopte geschiedenis
  2. ALGEMEEN
    1. verschijning
    2. karakter
    3. gebruik
  3. HOOFD
  4. OGEN
  5. OREN
  6. HALS
  7. ROMP
  8. STAART EN STAARTAANZET
  9. VOORHAND
  10. ACHTERHAND
  11. GANGWERK
  12. VACHT
  13. VACHTKLEUREN
  14. HOOGTE
  15. FOUTEN
    1. Hoofd
    2. Lichaam
    3. Vacht
    4. Staart
  16. DISKWALIFICERENDE FOUTEN
  17. TOELICHTING
  18. WOORD ACHTERAF
    1. Raskeuze
    2. Een eigen identiteit
    3. Afsluitende opmerking


  1. BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET RAS
  2. Leendert Saarloos (1884-1969) hield van de natuur, hield van honden. De laatste vond hij echter te verhuiselijkt. Als liefhebber van de Duitse herder wilde hij met name in dit ras natuurlijke eigenschappen terugfokken, opdat er een betere werkhond zou ontstaan. De Duitse herderreu van het klassieke Pruisische type Gerard van de Fransenum kruiste hij met Fleuri, een wolvin afkomstig uit de Siberische tak van de Europese types (1932). Terugparingen op de vader verschaften hem een basispopulatie kwartwolven. Er volgde een periode in de experimentele sfeer. Strenge selectie deed een nieuw ras ontstaan: de 'Europeesche wolfshond', waaraan geschiktheid als blindengeleider werd toegedicht, toen uitgelezen honden van dit ras hun diensten als zodanig verleenden. Stamvader Gerard deed toen nog zijn invloed gelden, maar een vergrote inbreng van de wolf maakte dit ras steeds minder geschikt als werkhond, dus ook als geleidehond.

    De erfenis van Leendert Saarloos, geen werkhond, maar een hond met een vleug natuur, kreeg in 1975 erkenning als ras. Toen ook werd de naam gegeven:

    SAARLOOSWOLFHOND - ere wie ere toekomt!

    Sedertdien behartigt de Nederlandse Vereniging van Saarlooswolfhonden de belangen van het ras onder andere door de onderhavige standaard.

  3. ALGEMEEN
    1. verschijning

    2. De SWH is een krachtig gebouwde hond. Zijn uiterlijk, lichaamsbouw, gangwerk en beharing doen denken aan die van de wolf. Hij is harmonieus gebouwd en heeft lange benen - zonder de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven moeten in allure duidelijk hun sexe doen blijken.

    3. karakter

    4. gebruik 1)

    5. De SWH, niet gefokt voor een specifiek gebruik, heeft die eigenschappen in zich, die hem zich doen gedragen als een trouwe en betrouwbare gezelschapshond of huishond.

      l): Noten verwijzen naar TOELICHTING

  4. HOOFD
  5. OGEN

  6. OREN
  7. HALS
  8. ROMP
  9. STAART EN STAARTAANZET
  10. VOORHAND 5)
  11. ACHTERHAND 5)

  12. GANGWERK 6)
  13. VACHT
  14. VACHTKLEUREN

  15. De kleuren van de vacht zijn

    Het pigment van neus, oogranden, lippen en teennagels behoort te zijn

  16. HOOGTE

  17. De schofthoogte van de SWH varieert

  18. FOUTEN
    1. Hoofd
    2. Lichaam
    3. Vacht
    4. Staart

  19. DISKWALIFICERENDE FOUTEN
  20. TOELICHTING
  21. 1) -----
    Gebruik: De SWH is een typisch roedeldier. Door en vanuit deze zeer sterk aanwezige eigenschap verlangt hij aan uw zijde te toeven. Deze eigenschap maakt hem volkomen ongeschikt als kennelhond: opgesloten zal hij onophoudelijk trachten zich te bevrijden, afzondering zal hem in vele gevallen doen asocialiseren.

    De jonge SWH verlangt bij zijn opvoeding een eerlijke, consequente benadering. wil men zijn trotse en onafhankelijke karakter enigszins vormen, dan is het raadzaam zijn gedrag en gehoorzaamheid te trainen.

    Vele SWH's bleken in het verleden over goede eigenschappen te beschikken voor het werk als geleidehond voor blinden. Echter vanwege het steeds drukker wordende verkeer is reeds in het begin van de zeventiger jaren besloten te stoppen met het opleiden van SWH's voor dit werk - dit over te laten aan de school voor blindengeleidehonden, die daartoe zeer selectief fokt en africht.

    Omdat er op de eigenschappen, belangrijk voor een blindengeleidehond, niet langer wordt gefokt, is de SWH geen gebruikshond meer, is hij geworden tot wat hij is: een ideale huishond, een groot kindervriend, zeer aanhankelijk en volkomen betrouwbaar.

    Bewaking en africhting: De lettergreep wolf in zijn naam doet bij velen de mening post vatten, dat dit garant staat voor felheid.
    Niets is minder waar: de SWH mist de aanvalsdrift, deze wordt dominant overheerst door zijn gereserveerdheid en de wolfeigene vluchtdrift. Deze maken hem absoluut ongeschikt voor bewaking en bepaalde soorten van africhting die een zekere mate van agressie vereisen.

    De SWH zal zijn baas op zijn eigen, stille wijze zelden blaffend - onraad melden.
    Zijn plaats in de roedelrangorde bepaalt, dat zijn baas als sterkste, als alfa, zal optreden.

    2) -----
    Aan te raden valt de expressie van het oog op afstand te beoordelen - bij een door de SWH ongewenste benadering kunnen namelijk door aanpassing aan emoties de pupillen zich tijdelijk verwijden, wat de expressie van het oog schaadt.

    3) -----
    Waar zomer- en wintervacht een visueel andere indruk wekken, vraagt de beoordeling van de grootte en de plaatsing van het oor enige aandacht.

    4) -----
    Bij een aangelijnde SWH wordt deze typische drafhouding tijdens het showen veelal verstoord.

    5) -----
    Waar het typische lichtvoetige gangwerk van de SWH zeer afhankelijk is van de juiste hoekingen in voor- en achterhand, mogen deze zich in stand niet overdreven tonen.

    6) -----
    Het exterieur en de daarmee nauw samenhangende, typische wijze van voortbewegen van de SWH is zeer afwijkend van die van aanverwante rassen: met name mag er in bouw en gangen geen enkele gelijkenis zijn met de Duitse herder.
    Wie wil oordelen over de SWH en wie zich de kennis daartoe wil eigen maken, zal door bestudering van de in bouw gelijkende wolvensoorten, de wolven van het hoogbenige, Europese type, de specifieke kenmerken van de SWH beter leren begrijpen.
    Zijn specifieke gangen zijn dermate onverbrekelijk verbonden met een juiste lichaamsbouw, dat geringe afwijkingen in bij voorbeeld de juiste knie- of hakhoeking het lichtvoetige gangwerk reeds schaden. Het herkennen van die kenmerkende details vraagt inzet en studie; echter de verworven kennis, het verkregen inzicht zullen dan niet alleen het keuren veraangenamen, maar bovenal een verantwoorde fokkerij tot voordeel zijn.

    7) -----
    Onder invloed van het milieu kan de vacht zeer verschillend zijn in dikte van de pels, hetgeen is toegestaan: bij voorbeeld een beperkte ondervacht beïnvloed door huiskamertemperatuur.

    8) -----
    Het crème-wit en wit zijn zelden voorkomende kleurslagen, waarop niet doelgericht gefokt wordt.

  22. WOORD ACHTERAF