- BEKNOPTE
GESCHIEDENIS VAN HET RAS
Leendert Saarloos (1884-1969) hield
van de natuur, hield van honden. De laatste vond hij echter te verhuiselijkt.
Als liefhebber van de Duitse herder wilde hij met name in dit ras natuurlijke
eigenschappen terugfokken, opdat er een betere werkhond zou ontstaan. De Duitse
herderreu van het klassieke Pruisische type Gerard van de Fransenum kruiste
hij met Fleuri, een wolvin afkomstig uit de Siberische tak van de Europese
types (1932). Terugparingen op de vader verschaften hem een basispopulatie
kwartwolven. Er volgde een periode in de experimentele sfeer. Strenge selectie
deed een nieuw ras ontstaan: de 'Europeesche wolfshond', waaraan geschiktheid
als blindengeleider werd toegedicht, toen uitgelezen honden van dit ras hun
diensten als zodanig verleenden. Stamvader Gerard deed toen nog zijn invloed
gelden, maar een vergrote inbreng van de wolf maakte dit ras steeds minder
geschikt als werkhond, dus ook als geleidehond.
De erfenis van Leendert Saarloos,
geen werkhond, maar een hond met een vleug natuur, kreeg in 1975 erkenning
als ras. Toen ook werd de naam gegeven:
SAARLOOSWOLFHOND - ere wie ere
toekomt!
Sedertdien behartigt de Nederlandse
Vereniging van Saarlooswolfhonden de belangen van het ras onder andere door
de onderhavige standaard.
- ALGEMEEN
- verschijning
De SWH is een krachtig
gebouwde hond. Zijn uiterlijk, lichaamsbouw, gangwerk en beharing doen denken
aan die van de wolf. Hij is harmonieus gebouwd en heeft lange benen - zonder
de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven moeten in allure duidelijk
hun sexe doen blijken.
- karakter
- Hij is een zeer levendige
hond overstromend van energie, die een trots en onafhankelijk karakter
heeft. Hij gehoorzaamt uit eigen vrije wil en is niet slaafs.
- Hij is zeer aanhankelijk aan
zijn baas en hoogst betrouwbaar.
- Tegenover vreemden stelt hij
zich gereserveerd, enigszins wantrouwend, op. Deze gereserveerdheid
en zijn vluchtdrift voor hem onbekende situaties zijn kenmerkend voor
de SWH en dienen behouden te blijven als rastypische eigenschappen.
- De benadering van de SWH door
vreemden vraagt enige kennis van en inzicht in het gedrag van deze hond,
die gereserveerdheid en vluchtdrift als eigenschappen in zich draagt.
- Een geforceerde, door de SWH
niet gewenste benadering door een vreemde, kan er toe leiden, dat de vluchtdrift
gaat overheersen. En een belemmering van deze eigenschap door bij voorbeeld
de beperkte bewegingsvrijheid van de aangelijnde hond kan aanleiding zijn
voor een angstig lijkend gedrag.
- gebruik
1)
De SWH, niet gefokt
voor een specifiek gebruik, heeft die eigenschappen in zich, die hem zich
doen gedragen als een trouwe en betrouwbare gezelschapshond of huishond.
l): Noten verwijzen naar TOELICHTING
- HOOFD
- Het hoofd moet een wolfachtige
indruk maken en in grootte harmoniëren met het lichaam.
- Van boven en van opzij gezien
moet het hoofd wigvormig zijn.
- De schedel toont vlak en breed,
maar ten opzichte van de breedte moet gewaakt worden voor overdrijving,
omdat dit de typische wigvorm verstoort.
- De achterhoofdsknobbel mag niet
opvallen.
- De overgang van de krachtige
snuit (neusrug) naar de schedel toont een lichte stop.
- De brug van de neus is recht
en gaat over in een goed gepigmenteerde neusspiegel.
- De boven- en onderkaak zijn
sterk en bevatten een wit, krachtig ontwikkeld en compleet gebit, dat scharend
tot zeer krap scharend is.
- De lippen sluiten goed aan.
- De bovenkaak en de schedel verhouden
zich in hun lengtes een op een, waarbij de bovenkaak zich beslist niet grof
mag tonen vergeleken met de schedel: een te grove voorsnuit ontsiert de
typisch wolfachtige wigvorm.
- De onderkaak mag niet opvallend
zijn.
Zeer kenmerkend is de belijning
van de voorsnuit naar een goed ontwikkeld jukbeenboog. Samen met de juiste
vorm en plaatsing van het oog in de schedel draagt deze ten zeerste bij aan
de wolfachtige verschijning. De oogkas mag niet uitgesproken zijn en de wenkbrauw
dient in een vloeiende lijn over te gaan in de schedel.
- OGEN
- De ogen zijn bij voorkeur geel
van kleur en amandelvormig. De ogen zijn enigszins schuin geplaatst,
niet puilend of rond, gevat in goed aansluitende oogleden.
- De uitdrukking van de ogen is
oplettend, wel gereserveerd, doch zonder angst.
- Het oog is een zeer rastypisch
kenmerk, dat de gewenste wolfachtige verschijningsvorm benadrukt. De goede
expressie wordt daarom alleen verkregen door de aanwezigheid van een licht
oog. Er dient veel waarde te worden gehecht aan kleur, vorm en juiste plaatsing
in de schedel. 2)
- De oogkleur is geel, maar bij
het ouder wordende dier mag deze zich donkerder kleuren. Echter de oorspronkelijke
aanleg voor geel dient herkenbaar te blijven.
- Een in aanleg bruine oogkleur
is minder gewenst.
- De oogkas gaat in een vloeiende
lijn in de schedel over: een te geprononceerde oogkas, geaccentueerd door
de wenkbrauw samen met teveel stop, is ongewenst.
- OREN
- De oren zijn middelgroot en
vlezig.
- Het oor is driehoekig van vorm,
heeft een afgeronde top en is van binnen behaard.
- De basis (ooraanzet) ligt op
ooghoogte.
- De oren zijn zeer beweeglijk
en geven uitdrukking aan stemmingen en emoties van de hond. 3)
- Storend en ongewenst zijn te
spitse en te hoog aangezette oren.
- Te wijd uitstaande oren ontsieren
het hoofd in zijn typische verschijningsvorm, zijn derhalve minder gewenst.
- HALS
- De hals toont droog en is goed
bespierd. De hals gaat in een zeer vloeiende lijn over in de romp. De hals
kan vooral in de wintervacht gesierd worden met een fraaie kraag.
- De lijn van keel naar borst
heeft een vloeiend verloop.
- De keelhuid is minimaal en niet
opvallend.
Het is kenmerkend voor de SWH hoofd
en hals in ontspannen draf bijna horizontaal te dragen. 4)
- ROMP
- De SWH is langer dan hoog.
- De rug is recht en sterk.
- De ribben zijn normaal gewelfd.
- De vloeiende borstbelijning
reikt tot maximaal de elleboog.
- Borst en ruimte tussen de voorbenen
tonen matig breed in vooraanzicht.
- De buiklijn is strak met een
licht opgetrokken lijn.
- Er moet gewaakt worden voor
te veel massa van de borst, want dit verstoort de typische belijning, welke
deze gestadige draver kenmerkt.
- Het silhouet is eerder rank
en zeer wolfachtig.
- STAART
EN STAARTAANZET
- De staart is breed aangezet
en welig behaard.
- De staart reikt minimaal tot
aan de sprong.
- De staart lijkt wat lager aangezet,
veelal geaccentueerd door een lichte dip bij de aanzet.
- De staart wordt (licht) sabelvormig
tot bijna recht gedragen
.
- In actie of draf mag de staart hoger gedragen worden
.
- VOORHAND
5)
- Het schouderblad is voldoende
lang en breed ontwikkeld. Het ligt onder een hoek van ongeveer dertig graden
ten opzichte van de verticale loodlijn een normale, doch niet overdreven
hoeking.
- De opperarm is in lengte evenredig
aan die van het schouderblad en vormt met het schouderblad een normale,
doch niet overdreven hoeking.
- De voorbenen zijn recht en goed
bespierd : De botstructuur ervan is ovaal van vorm en is niet grof: de benen
tonen in verhouding tot het lichaam eerder een zekere rankheid.
- De ellebogen sluiten goed -
niet geknepen - aan. Als gevolg van de ribwelving en van de juiste ligging
van schouderblad-opperarm toont de ruimte tussen de voorbenen zich als matig
wijd.
- De voeten (type hazevoet), goed
bespierd en gekromd en voorzien van stevig ontwikkelde voetzolen, zorgen
samen met de sterke pols en met de matig schuin geplaatste middenvoet voor
een goede schokopvang.
In stand is een licht buitenwaardse plaatsing toegestaan.
- ACHTERHAND
5)
- De bekkenhelling is normaal.
Deze lijkt door de lage staart aanzet - dikwijls geaccentueerd door een
dip vaak meer hellend.
- De hoeking van de achterhand
is in harmonie met die van de voorhand.
- Het dijbeen heeft een normale
lengte en breedte en is sterk bespierd.
- De knie- en hakhoekingen mogen
niet overdreven zijn. De sprong is benig en bespierd en kan optimaal gestrekt
worden.
- De middenvoet is voldoende lang
(niet kort), staat matig schuin en loopt over in een goed gekromde en ontwikkelde
voet.
- In stand is een lichte koehakkigheid
toegestaan.
Het rastypische, lichtvoetige gangwerk
is zeer afhankelijk van de juiste knie- en
- hakhoekingen. Bij de geringste afwijking hieraan verdwijnt deze wijze
van voortbewegen.
- GANGWERK
6)
- De SWH is een typisch gestadige
draver, die in zijn eigen tempo gemakkelijk grotere afstanden kan overbruggen.
Zijn natuurlijke gangen vermoeien hem nauwelijks en doen denken aan die
van de wolf.
- De SWH onderscheidt zich ten
zeerste door zijn zeer specifieke, lichtvoetige gangwerk.
- Een juiste wijze van voortbewegen
hangt zeer nauw samen met details in de lichaamsbouw: met name zijn de juiste
hoekingen, die de verschillende ledematen met elkaar vormen, van grote invloed.
- Tijdens de vrije, ongedwongen
draf draagt de SWH hoofd en hals bijna horizontaal - in deze houding zijn
dan oogplaatsing en wigvorm van het hoofd zo kenmerkend! In draf is het
typisch lichtvoetige voortbewegen stevig en veerkrachtig - vooral op een
natuurlijke ondergrond is de soepele, veerkrachtige polsbeweging kenmerkend.
- Bij het gestadige draven, de
raseigene gang, is er geen overmatig uitgrijpen, daar dit - evenals te veel
stuwing - het typisch lichtvoetige gangwerk, een voorbeeld van een energie
besparende gang, verstoort.
- VACHT
- De zomervacht is heel anders
dan de wintervacht.
In de winter overheerst veelal de wollen ondervacht, die samen net de stokharige
bovenvacht, de deklaag, een rijke pels over het gehele lichaam vormt en
daarbij rond de hals een duidelijke kraag kan tonen. Het is noodzakelijk,
dat en de buik en de binnenkant van de dijen en het scrotum met haar bedekt
zijn. De haren van de totale onderkant van het lichaam en van de binnenzijde
van de extremiteiten en aan de achterzijde van de broek zijn licht van kleur.
- Zowel de wolfsgrauwe als de
bosbruine SWH's tonen donkerder op de buitenkant van de extremiteiten. Ook
dienen zij een expressief masker te dragen.
- Bij de zomervacht is de stokharige
bovenvacht over het gehele lichaam belangrijker.
- Temperatuurswisselingen in het
najaar en in de winter kunnen van zeer grote invloed zijn op de wollen ondervacht.
7)
- Wel dient in alle gevallen de
wollen ondervacht in aanleg aanwezig te zijn.
- VACHTKLEUREN
De kleuren van de
vacht zijn
- van licht tot donker geschakeerd
zwart-wildkleurig, het zo genaamde wolfsgrauw,
- van licht tot donker geschakeerd
bruin-wildkleurig, het zo genaamde bosbruin,
- van licht crème-wit tot
wit. 8)
Het pigment van neus, oogranden, lippen
en teennagels behoort te zijn
- zwart bij de wolfsgrauwe en
witte SWH,
- leverkleurig bij de bosbruine
en crème-witte SWH.
- HOOGTE
De schofthoogte van
de SWH varieert
- bij de reuen van 65 tot 75 cm,
- bij de teven van 60 tot 70 cm.
- Geringe afwijkingen
naar boven zijn toegestaan.
- FOUTEN
- Hoofd
- te ronde ogen,
- puilende ogen,
- een te uitgesproken oogkas,
waarbij de wenkbrauw niet langs een vloeiende lijn overgaat in de schedel,
wat veelal samengaat met te veel stop, en te ronde ogen
- te hoog geplaatst en/of puntig
oor,
- te wijd uitstaande oren.
- Lichaam
- laagbenigheid,
- te grove botstructuur van
de benen,
- te korte bouw.
- Vacht
- het ontbreken van voldoende
expressie door haarkleuren is minder gewenst
- zadeltekening door onvoldoende
verdeeld zijn van de donkere haarkleuren.
- Staart
- krul in de staart,
- boven de rug gedragen staart.
- DISKWALIFICERENDE
FOUTEN
- bij reuen mono- en cryptorchidie,
- elke vorm van agressie is bij
de SWH niet toegestaan, daar deze zich niet vrijelijk, doch gereserveerd
dient op te stellen tegenover hem vreemde personen,
- andere dan de toegestane vachtkleuren.
- TOELICHTING
1) -----
Gebruik: De SWH is een typisch roedeldier. Door en vanuit deze zeer sterk aanwezige
eigenschap verlangt hij aan uw zijde te toeven. Deze eigenschap maakt hem volkomen
ongeschikt als kennelhond: opgesloten zal hij onophoudelijk trachten zich te
bevrijden, afzondering zal hem in vele gevallen doen asocialiseren.
De jonge SWH verlangt bij zijn opvoeding een eerlijke, consequente benadering.
wil men zijn trotse en onafhankelijke karakter enigszins vormen, dan is het
raadzaam zijn gedrag en gehoorzaamheid te trainen.
Vele SWH's bleken in het verleden over goede eigenschappen te beschikken
voor het werk als geleidehond voor blinden. Echter vanwege het steeds drukker
wordende verkeer is reeds in het begin van de zeventiger jaren besloten te
stoppen met het opleiden van SWH's voor dit werk - dit over te laten aan de
school voor blindengeleidehonden, die daartoe zeer selectief fokt en africht.
Omdat er op de eigenschappen, belangrijk voor een blindengeleidehond, niet
langer wordt gefokt, is de SWH geen gebruikshond meer, is hij geworden tot
wat hij is: een ideale huishond, een groot kindervriend, zeer aanhankelijk
en volkomen betrouwbaar.
Bewaking en africhting: De lettergreep wolf in zijn naam doet bij velen de
mening post vatten, dat dit garant staat voor felheid.
Niets is minder waar: de SWH mist de aanvalsdrift, deze wordt dominant overheerst
door zijn gereserveerdheid en de wolfeigene vluchtdrift. Deze maken hem absoluut
ongeschikt voor bewaking en bepaalde soorten van africhting die een zekere
mate van agressie vereisen.
De SWH zal zijn baas op zijn eigen, stille wijze zelden blaffend - onraad
melden.
Zijn plaats in de roedelrangorde bepaalt, dat zijn baas als sterkste, als
alfa, zal optreden.
2) -----
Aan te raden valt de expressie van het oog op afstand te beoordelen - bij een
door de SWH ongewenste benadering kunnen namelijk door aanpassing aan emoties
de pupillen zich tijdelijk verwijden, wat de expressie van het oog schaadt.
3) -----
Waar zomer- en wintervacht een visueel andere indruk wekken, vraagt de beoordeling
van de grootte en de plaatsing van het oor enige aandacht.
4) -----
Bij een aangelijnde SWH wordt deze typische drafhouding tijdens het showen veelal
verstoord.
5) -----
Waar het typische lichtvoetige gangwerk van de SWH zeer afhankelijk is van de
juiste hoekingen in voor- en achterhand, mogen deze zich in stand niet overdreven
tonen.
6) -----
Het exterieur en de daarmee nauw samenhangende, typische wijze van voortbewegen
van de SWH is zeer afwijkend van die van aanverwante rassen: met name mag er
in bouw en gangen geen enkele gelijkenis zijn met de Duitse herder.
Wie wil oordelen over de SWH en wie zich de kennis daartoe wil eigen maken,
zal door bestudering van de in bouw gelijkende wolvensoorten, de wolven van
het hoogbenige, Europese type, de specifieke kenmerken van de SWH beter leren
begrijpen.
Zijn specifieke gangen zijn dermate onverbrekelijk verbonden met een juiste
lichaamsbouw, dat geringe afwijkingen in bij voorbeeld de juiste knie- of hakhoeking
het lichtvoetige gangwerk reeds schaden. Het herkennen van die kenmerkende details
vraagt inzet en studie; echter de verworven kennis, het verkregen inzicht zullen
dan niet alleen het keuren veraangenamen, maar bovenal een verantwoorde fokkerij
tot voordeel zijn.
7) -----
Onder invloed van het milieu kan de vacht zeer verschillend zijn in dikte van
de pels, hetgeen is toegestaan: bij voorbeeld een beperkte ondervacht beïnvloed
door huiskamertemperatuur.
8) -----
Het crème-wit en wit zijn zelden voorkomende kleurslagen, waarop niet
doelgericht gefokt wordt.
- WOORD
ACHTERAF
- Raskeuze
Wie besluit een hond aan te schaffen, doet er goed aan zijn keus te bepalen
tot dat ras , dat qua eigenschappen het best en het meest tegemoet komt aan
persoonlijke verlangens en voorkeur.
De SWH is de ideale hond voor een ieder die voldoende tijd beschikbaar heeft,
om deze hond te geven wat hij nodig heeft: veel aandacht!
De SWH is niet slaafs, in tegendeel hij heeft een sterk en eigenzinnig karakter,
rijk aan natuurlijke eigenschappen. Wie dat natuurlijke in deze hond weet
te waarderen, weet in te voelen, wie daarvan weet te genieten, voor hem is
de SWH een geschikte kameraad. Wie weet een hond niet te kunnen geven wat
hem toekomt, wie een hond niet de gehele dag om zich heen kan hebben, doet
er goed aan te overwegen zich geen hond aan te schaffen, in ieder geval geen
SWH.
Voor wie oog heeft voor de natuur, voor de echte dierenvriend, voor hem is
de SWH een ideale en trouwe hond, nog niet geheel en al gedomesticeerd, maar
door en door betrouwbaar zal de SWH zijn leven verrijken.
- Een eigen identiteit
Het zal de lezer van deze standaard opgevallen zijn, dat er meerdere keren verwezen
wordt naar wolfachtige kenmerken. De SWH is evenwel geen wolf, veeleer een hond
met een geheel eigen identiteit.
Het is om meerdere redenen, dat de wolf als voorbeeld staat, dat er in de fokkerij
naar gestreefd wordt de zeer specifieke kenmerken van de wolf, ooit ingekruist
in dit ras, te behouden.
Ieder ras ontleent zijn identiteit aan zijn verschijning, welke in wezen door
het hoofd bepaald wordt. Welnu, hoewel er waarschijnlijk nooit een absolute
gelijkenis zal zijn, staat de wolf als voorbeeld voor het ras Saarlooswolfhond.
Wie enige kennis bezit van de specifieke bouw van de wolf, zal beamen, dat deze
ingenieus is. De belijning van het lichaam en de hoekingen die de ledematen
onderling met elkaar vormen, stellen hem niet alleen in staat vrijwel moeiteloos
grote afstanden te overbruggen, maar ook door een grote krachtexplosie grote
snelheden te ontwikkelen om zijn prooi te bereiken. Met name zijn knie- en hakhoekingen
maken van hem zowel een sprinter, als een springer, die zich thuis voelt in
ruig en onherbergzaam terrein. Er is geen woord te veel gezegd in de vermelding,
dat het bij de wolf gaat om een functioneel all-round lichaam.
En dat is precies, wat de echte liefhebber van de SWH zeer inspireert. Daarom
wordt er naar gestreefd de gelijkenis met de wolf in stand te houden. Daarom
is het ondenkbaar dit ideaal in enig opzicht te kort te doen.
De echte liefhebbers van de SWH keuren de overdrijvingen, toegestaan bij andere
rassen, af. Overdrijvingen, die soms zo lichaamsfuncties hebben aangetast,
dat een behoorlijk functioneren niet mogelijk is, zodat het leven voor zo'n
hond elke waardigheid mist.
Ook de schepper van het ras, Leendert Saarloos, was van dit besef doortrokken.
Zijn fokideaal was een hond met een goed functioneel lichaamsgebruik, een
hond gevrijwaard van domesticatie en degeneratie, een hond met de oereigenschappen
van de wolf in zich, waardoor het natuurlijke gedrag van die hond weer volop
de kans zou krijgen.
De zorg om de gewenste eigenschappen binnen het ras in stand te houden is
groot: de erkende rasvereniging heeft de fokkerij daartoe gecentraliseerd!
Een gematigde belangstelling voor het ras vormt een verdere bescherming. Vele
adspirant-hondenbezitters hebben weinig begrip voor de natuurlijke eigenschappen
van de SWH, zoeken meer naar honden geschikt voor bewaking en africhting,
wat de SWH niet in zich heeft, want hij is niet slaafs.
- Afsluitende
opmerking
Tot slot zij opgemerkt,
dat de rasvereniging bevordert, dat een keurmeester, zijn mening uitsprekend
over de hem voorgebrachte SWH, dit doet overeenkomstig de rasstandaard, opdat
- de SWH kerngezond en goed gesocialiseerd
blijft,
- zijn prachtige eigenschappen
niet verloren gaan!